Dag 70: Pluk de dag

Terwijl ik op zomaar een dag bij de bushalte sta te wachten komt ze op me af. Een vriendelijke vrouw van middelbare leeftijd. Were you wanna go, vroeg ze me in Amerikaans Engels met een overheersend Taiwanees accent. Ik wees het aan op de kaart, een tempel, een eind buiten de stad.
Why you wanna go there, vroeg ze verbaasd en ik vertelde haar over mijn foto-project en mijn liefde voor de tempels. Ze schoot in de lach. I’m a Christian, vertelde ze. Christian people do not belong in temples.
Well, I said. I’m also a Christian, but still i love the temples and you can find me there a lot.
We raakten aan de praat, over geloven en over dat wat wel en niet is toegestaan. Allebei bleken we van mening dat openstaan voor andere religies en visies je wereld verrijkt.
De tempels zijn een belangrijk deel van de cultuur van dit land. En of je nu Mohammedaan bent, Christen, Jehova, in kaboutertjes gelooft, of in helemaal niks, wanneer je deel uit wil maken van de gemeenschap hier dan is het belangrijk dat je de gewoontes leert kennen en deze respecteert.
Mijn bus kwam en ze keek wat ongerust. Het was geen rechtstreekse lijn en de bussen hier rijden op onregelmatige tijden. Ze komen vaak te vroeg, soms te laat, maar ook heel vaak gewoon niet. Ze was bang dat ik de laatste zou missen en met overstappen in de problemen zou komen.
What the hell zei ze toen: I’m free today: I go with you. I don’t want you to get lost.
Ondertussen ben ik gewend aan de bezorgdheid van de Taiwanezen, helemaal wanneer je als Westerse vrouw alleen reist, en ik accepteerde haar aanbod dan ook met twee handen. Dus daar ging ik, opnieuw op stap met een wildvreemde vrouw naar een tempel ver buiten de stad.
Mijn Hollandse Engels en haar Taiwanese Engels matchten niet altijd even goed. Taiwanezen kunnen sommige letters moeilijk uitspreken en het duurde even voordat ik door had dat wanneer ik poorly verstond, ze pretty zei. Maar met handen en voeten en een beetje goede wil kom je een heel eind.
We bleven praten, en ze vertelde me van alles over de geschiedenis van het land. Ze opende deuren die anders gesloten zouden blijven en ik kwam op plekken waar ik anders nooit zou komen.
We hebben hetzelfde levensmotto: leef vandaag, leer van gisteren, en morgen…ach dat zien we dan wel weer.
Maybe we never meet again, zei ze keer op keer. So let’s enjoy. En dat deden we, met volle teugen.
Ik genoot van haar enthousiaste verhalen, haar bezorgdheid, schaterlach en vrolijk twinkelende ogen. Ze liet me alleen de weg oversteken wanneer ze me vast had en vroeg wel 100 keer of ik het naar mijn zin had.
Waar ze bang voor was dat mij zou overkomen overkwam ons alsnog. We misten de laatste bus terug naar de stad en in geen velden of wegen viel er een taxi te bekennen. De zon ging onder en een koude zeewind stak op.
Een vrachtwagentje kwam voorbij en stopte voor onze halte.
De twee mannen keken bezorgd en besloten ons mee te nemen.
De kleine cabine die normaliter alleen geschikt is voor een chauffeur en bijrijder bleek veel te klein voor vier volwassenen, maar met veel trek en duw-werk lukte het om allemaal een plekje te vinden.
De chauffeur had net genoeg ruimte om te kunnen sturen, mijn reisgenote zat half op de versnellingspook en ik zat weer half op haar. De bijrijder zat op het puntje van zijn stoel en hing voor een groot deel uit het raam. En zo reden we ruim drie uur lang, oncomfortabel, maar schaterlachend, door de wetfields van Tainan.
We sloten, ietwat stijf en verfrommeld, de dag af, met een goed glas Taiwanees bier in de lobby van ons hotel en ik werd overspoeld door een intens gevoel van geluk. Want zulke dagen, zulke ontmoetingen en zulke ervaringen maken van een gewone dag een hele bijzondere, eentje met een stevige gouden rand.